Virginie had in haar leven nooit iets gedaan wat ook maar enigszins in de buurt kwam van werk, ze had altijd het oneindige gebied van nietsdoen en nonchalance verkend, en leek vastbesloten die roeping tot het eind toe vol te houden, maar zelfs als ze een werkpaard was geweest, hadden haar chagrijnige humeur en haar houding van infante haar totaal ongeschikt gemaakt om een taak te volbrengen die uitgaat van regelmatig contact met haar medemens, zelfs als die zo onbehouwen was als de vaste caféklanten.